Dirk De Wachter
Vertroostingen
Uitgeverij LannooCampus

Ik zag de grootmoeder, daar, in de sloppenwijk van Phnom Penh waar ik als regisseur van een documentaire rondliep. Ik wilde het verhaal vertellen van deze mensen die het slachtoffer waren van de enorme HIV epidemie die had huisgehouden in Cambodja. Veel ouders van kinderen waren het slachtoffer geworden waardoor grootouders hun kleinkinderen moesten opvoeden. Die kleinkinderen hadden nog geluk want vele anderen waren in weeshuizen terecht gekomen. En toen ik door die sloppenwijk liep om te zien waar we beelden konden maken, keek ik via mijn fotolens regelrecht in de ogen van een grootmoeder.

Maar ik zag wat anders. Ik zag de tragiek dat deze vrouw nooit was toegekomen aan rouw. Rouw om de dood in haar omgeving. Rouw om haar eigen verhaal. En ook rouw om een regime daar in Cambodja dat nog maar net de hielen had gelicht en een land in chaos had achtergelaten. Wat wist ik van haar verhaal? Wat wist ik van haar verdriet, haar leven, haar omstandigheden? Ik keek door een fotolens, ik was een westerse regisseur die voor televisie een documentaire maakte, ik was in andere woorden een voorbijganger. Was ik in staat daar haar wonden aan te raken? En als ik dat deed, wat dan? Kon ik het begrijpen, kon ik me eraan overgeven, of moest ik, als professional, aan het eind van de dag mijn tv minuten bij elkaar hebben gesprokkeld?

Het beeld van deze grootmoeder daar op de vloer van haar hut, die opkeek naar mij, of beter, naar mijn fotolens, ben ik nooit meer vergeten. Het is de filosoof Martin Buber die in zijn boek ‘Ik en Jij’ over een dergelijk moment het volgende schrijft: ‘Wat is het eeuwige: het in het nu en hier tegenwoordige oerverschijnsel van wat wij openbaring noemen? Het is dit: de mens komt uit het moment van de hoogste ontmoeting niet hetzelfde tevoorschijn als hij er is binnengegaan. Het moment van de ontmoeting is geen ‘belevenis’ die in de ontvankelijke ziel opgewekt en met een zalig gevoel wordt afgerond: er geschiedt daar iets aan de mens. Dat is soms een ademtocht, soms een worsteling, hoe dan ook: het geschiedt.’

Op dat moment daar in die sloppenwijk, terwijl ik de oude vrouw ‘aankeek’, was er dus die omslag in mijn denken. Dat denken dat mij vaak liet overwegen dat ik los sta van anderen, dat denken dat mij liet twijfelen aan de zin van alles. Dat denken dat teveel om mij draaide en mijn bijzondere gedachten over een betere wereld. Met één omslag begreep ik dus dat we hier, en hier in deze wereld, samen zijn, en het samen moeten doen. Nu. Hier. Samen. Het was het moment dat tussen de ‘ik’ en de ‘jij’ ontstaat zoals Martin Buber dat betoogt. Er was geen hulpbehoevende meer en de hulpverlener, geen grootmoeder die een kleinkind op te voeden heeft in armoede en de regisseur ver van huis die in opdracht een documentaire te maken had voor televisiekijkers; er was de ik en de ander, er was ons in deze wereld. Martin Buber: ‘De werkelijkheid is dat wij ontvangen wat wij tevoren niet hadden, en dit zo ontvangen dat wij weten: het is ons gegeven.’ 

Die aanblik van de ander is het kernthema in het boek van Dirk De Wachter, Vertroostingen, een boek dat begint bij het constateren van zijn eigen ziekte, de kanker, om dan uit te wijden over de vele vormen van troost die we zo nodig hebben. De troost bij de ander. De troost van het kleine goede. De troost van de rituelen. De troost van het samenzijn. De troost in de filosofie. En ga zo maar door. Dirk de Wachter kan zijn reis met zijn ziekte zo treffend omlijsten met die alomtegenwoordige behoefte aan troost. Zoals zijn ontmoeting met die verpleger op de intensive care. ‘Die man passeerde mij maar één dag en één nacht in mijn leven, maar ik zie hem nog altijd voor mij. Zijn aanwezigheid, zijn geëngageerde aanwezigheid maakte die dag en die nacht het verschil. Dat was de kern: er willen zijn voor iemand. Hij waste me en hoe ongemakkelijk ik dat normaal zou vinden, zo verrassend troostend was het om me aan die complete machteloosheid te kunnen overgeven.’

Dat is de basis van troost schrijft Dirk De Wachter hier. Niet vanuit de eigen stelling de ander zien of bestoken met een mening, of nog erger, maar de ander ontmoeten. Niet vanachter een fotolens zoals ik dat zo ongelukkig deed in Cambodja, maar door naast de ander te gaan zitten. In het ook niet-weten, want hoe zou ik iets over het leven van de oude vrouw weten, maar door mij over te geven aan het moment. Niet de professional zijn die een opdracht heeft een documentaire te maken, maar door mens te zijn met de andere mens. ‘Aanraking. De nabijheid van de mens. Menselijke verhalen, menselijke aanraking, menselijke nabijheid. Nadien is een volgende stap nodig. Die van de literatuur, de kunst en de schoonheid. Er bestaat veel. Maar bij het begin gaat het over die eerste vraag: is er iemand?’

Dirk De Wachter schrijft dan over twee soorten troost die belangrijk zijn. De eerste soort is de troost die zich buigt over het verdriet. Dat is de troost die we nodig hebben als ons iets overkomt, een verlies, een afscheid. Dan zijn troostmuziek en troostgedichten nodig, schrijft hij. De tweede soort troost is de troost over het leven zelf. De troost die we zo nodig hebben omdat we ons realiseren dat het bestaan zelf soms zo moeilijk is. Zo onbestaanbaar. Als je de krant leest. Als je opslag van vermoeide ogen van iemand ziet. 

Zo’n zelfde opslag van een vermoeid mens ervoer ik opnieuw in een sloppenwijk, maar dan in Zuid-Afrika. Opnieuw op reis voor een documentaire, werd ik dit keer geconfronteerd met een jonge Afrikaanse vrouw met haar kinderen. In haar haveloze hut, meer was het niet, kreeg zij die dag een stuk plastic uitgereikt bedoeld voor het dak. Zo zou de regen niet langer haar hut binnen kunnen stromen. In die hut een kaal bed, een enkele stoel en wat kookgerei, meer was er niet. Ik weet nog van mijn beschaamde blik daar bij het zien van deze armoede. Maar in tegenstelling tot mijn ogenblik met de grootmoeder in Cambodja keek ik nu in de ‘dode’ ogen van deze vrouw waar geen verhaal meer in te ontdekken leek. Het leven was vertrokken. Hier leek enkel het overleven nog aanwezig, een strategie om alle gevoel van wanhoop niet meer te ervaren.

Als ik al een blijk van medeleven kon tonen werd die niet ontvangen; er leek geen verbinding meer mogelijk. Misschien had deze jonge Afrikaanse vrouw te veel meegemaakt om nog langer een tegenover, een ‘jij’ te kunnen zijn. Het maakte mij wezenloos verdrietig. Ik kon haar wonden zien, maar niet aanraken. Maar als ik dat wel deed, wat dan? Was dit dan het moment waarop veel hulpverleners die professionele blik in de ogen krijgen? Werd deze jonge vrouw, net als zovelen, dan een, zoals Martin Buber dat noemt, een ‘het’? Geen tegenover maar het tegenover. Geen confrontatie tussen een ‘ik’ en een ‘jij’, maar een spanningsloos ‘ik’ tegenover een ‘het’.

Ik weet nog dat ik dezelfde avond terugkwam in mijn hotel, daar mijn opgemaakte bed vond, het eten at dat was klaargemaakt, en alleen nog maar kon denken aan de jonge vrouw en mijn schaamte. Ik vermoedde dat ik al was verdwenen uit haar hoofd, en als ik daar nog was, enkel een schim zou zijn van iemand uit een onbekende wereld. Er was die dag geen wond aangeraakt. Toch was er iets in gang gezet, in mij, dat mij ook niet meer zou loslaten, waardoor ik het hier kan opschrijven. Misschien was het dan mijn wond die ik had aangeraakt?

Dirk De Wachter schrijft in zijn boek veel over de Franse filosoof Emmanuel Levinas. Emmanuel Levinas is de filosoof geweest die bekend werd door de mens tegenover ons ‘de Ander’ te noemen. In een van zijn bekendere uitspraken klinkt dat zo: “Het is niet jij die de wereld een plaats geeft, maar het is de Ander, die jou aanspreekt, appelleert en jou een plaats geeft."

Dus de jonge Afrikaanse vrouw gaf mij mijn plaats in deze wereld, waarin ik mij schaamde om mijn bevoorrechte positie terwijl zij het moest doen met een armoedige plek. Zij was de Ander die mij de kans gaf een omslag in mijn denken en handelen te maken.

De andere mens is tegenover schrijft Dirk de Wachter waar we troost uitputten. Troost in vinden. Maar in wederkerigheid. Prachtig is zijn ontmoeting in het ziekenhuis met een poetsvrouw, zoals hij dat noemt. Als hij diep ongelukkig en verschrikkelijk eenzaam in zijn ziekenhuisbed ligt, komt zij binnen. ‘Mag ik met u spreken? hebt u even tijd? Mag ik u iets vertellen? Ze excuseerde zich. Ze vroeg if i could speak English. Poetsvrouwen in ziekenhuizen komen uit verre streken. We praatten en zij begon haar verhaal te vertellen. (…) De woorden en zinnen die ze gebruikte waren heel eenvoudig. Het waren gewone woorden. ik luisterde en wat ze zei, bracht een soort rust over me. Iemand sprak met me. Niet meer dan dat. Maar iemand zag me, zij, die dame uit Tibet, met haar bezem in haar hand. Dan verontschuldigde ze zich omdat door dat vertellen niet tot poetsen was gekomen. Dat geeft niet, zei ik, duid op uw blad maar aan dat u wel poetste. Dank u wel. Dank u wel. Dank u wel dat u met mij gesproken heeft. Ik had het nodig. Ik heb er veel aan gehad.’

Het is de troost van het kleine goede schrijft Dirk De Wachter verderop in zijn boek. ‘Als iets troost is, dan is het dat kleine goede van Levinas dat dicht bij vriendelijkheid zit. Het is de mens die er voor u is. De mens die iets voor u doet. Iets kleins. Iets onschuldigs. Iets dat vermoedelijk geen moeite kost en dat zomaar, met een knippering van het oog, aan de aandacht zou kunnen ontsnappen.’


 - Ron van Es 


Koop het boek via deze link

YouTube

YouTube inhoud kan niet getoond worden met je huidige cookie-instellingen. Selecteer "Toestemmen & tonen" om de inhoud te zien en de YouTube cookie-instellingen te accepteren. Meer info kun je lezen in onze [Privacyverklaring](/privacyverklaring/. Je kunt je altijd weer afmelden via je [cookie-instellingen] /cookie-instellingen/.

Toestemmen & tonen