Het geheim van het leven


Er was eens een jonge man die het geheim van het leven wilde leren kennen. Overal waar hij kwam, vroeg hij mensen of ze hem konden helpen. ‘Ken jij het geheim van het leven?’ Hij kreeg veel verschillende antwoorden. ‘Het geheim van het leven is dagelijks een glas wijn drinken, da’s overal goed voor!’ Iemand anders zei dat het ‘m zat in goede relaties met mensen om je heen. Weer anderen zeiden dat dat je je hart moest volgen. Daar werd hij gek van. Je hart volgen. Hoe dan. Nee, het schoot niet op. Soms zei er iemand domweg: ‘Geen idee.’ Dat vond hij eigenlijk nog het leukste antwoord. Maar hij had er niets aan.


Jarenlang zwierf hij zo over de wereld met zijn vraag. Soms ontstonden er best mooie gesprekken, maar altijd bleven de antwoorden hetzelfde, dat wil zeggen: steeds weer anders. Maar op een namiddag, de zon stond al laag, kwam hij midden in een drukke stad bij een klein huis waar een kluizenaar woonde. Er was geen bel, de deur stond open. Zijn schaduw viel ver het scheve, lege huisje in. ‘Wat mot je?’, riep een gebarsten stem vanuit het donker.


‘Ik zoek het geheim van het leven’, riep de jonge man terug. Een lange gestalte stapte tevoorschijn, met haren als een mistwolk om het hoofd, een schipperstrui met een rits onder de kin. Het was de kluizenaar. Hij bekeek zijn bezoeker van top tot teen en zuchtte toen. De jonge man voelde zich een kind.


‘Wat denk je nou eigenlijk’, zei de kluizenaar, ‘je bent nog niet tot de helft gekomen en je wilt nu al het geheim van het leven kennen? Wat weet jij nou van de bodem?’


De jonge man fronste zijn wenkbrauwen. ‘De bodem? Welke bodem?’


‘De bodem van de put’, zei de kluizenaar.


De jonge man keek om zich heen. ‘Heeft u een put? Ik zie geen put.’


‘Niet mijn put, de jouwe.’


‘Er is geen put in mijn leven’, zei de jonge man. ‘Ik heb een kraan. Alles gaat prima.’


‘Dat is precies jouw probleem. Wat je zoekt ligt diep. Werk, graaf je eigen put. Op de bodem zul je leven vinden.’ 


De jonge man schudde onwillig met zijn hoofd. ‘Ik zoek gewoon een universeel geheim dat voor iedereen geldt. Waar ik iets concreets mee kán.’


De kluizenaar rolde met zijn ogen. ‘Vraag anderen dan niet naar jóuw geheim. Vind het zelf. Dat is u juist het universele eraan: in ieder mens ligt een ander geheim.’


‘Ik moet even zitten’, zei de jonge man.


‘Daar dan maar’, gebaarde de kluizenaar naar de grond.


Toen ze samen op de grond zaten lachte de kluizenaar, tot ergernis van de jonge man.


‘Maar waar vínd ik dan mijn geheim?’, vroeg hij ongeduldig.


‘Nou, hier niet in elk geval’, zei de kluizenaar zacht. Zijn haar was fel oranje geworden in het licht van de ondergaande zon. Toen kreeg hij medelijden en hij boog zich voorover naar de jonge man.


‘Je kunt ook gewoon wachten’, verklapte hij toen.


‘Waarop?’


‘Op dat geheim van je. Stel je eens voor dat het gewoon op je af zou komen, zonder dat je iets deed.’


De jonge man voelde iets bewegen in zijn lijf. Hij slikte een paar tranen weg.


‘Maar ik moet toch…’


‘Je moet helemaal niks. Op weg naar het geheim van het leven heeft het geen zin om te piekeren en te redeneren en rond te rennen. Stop ermee. Ga stil zitten.’


‘Maar…’


‘En hou je klep eens dicht. Wacht gewoon tot het begint.’


Het werd stil tussen hen. Toen stond de kluizenaar soepel op. ‘Het is Advent’, zei hij. ‘Mooi moment wel, om te wachten op het leven.’


Hij liep naar het aanrecht en ging thee zetten. Kaneelthee. Daar hield hij van.


Maria van Mierlo, geestelijk begeleider, publicist